Marth Sijm – Oprichtster en Erelid van DTS’48

Een van de oprichters van onze vereniging is heengegaan. – 14 mei 2020

Mevrouw Marth Sijm – Erelid van DTS’48

Zij heeft het reilen en zeilen van de vereniging altijd met veel belangstelling gevolgd. Wij herdenken haar met grote dankbaarheid.

Onze eigen Meryam Boufouchk heeft Marth Sijm ooit geïnterviewd in het kader van een schoolopdracht en heeft hierover een stuk geschreven in 2012 dat in het jaarboek van 2014 van Stichting Historisch Hoogkarspel-Westwoud staat:

“In 1947 kwam Marth Sijm op het idee om een vervangende sport voor korfbal te “bedenken”. Tijdens de oorlog lag alles stil, omdat er nauwelijks sport mogelijk was. Toen de oorlog voorbij was, wilden veel mensen aan sport gaan doen. Voor de oorlog bestond er alleen korfbal voor meisjes, maar daar vond Marth niets aan. Handbal leek haar erg leuk en al gauw kreeg ze een aanhang van meer dan twintig personen. Het lukte dus om twee teams met elf handballers op te richten (er werd toen nog handbal gespeeld met elftallen), want zo’n vijfentwintig tot dertig mensen wilden wel meespelen. Ze speelden voor de lol, niemand wist hoe het spelletje eigenlijk volgende de regels ging.”

Na contact te hebben gezocht met andere verenigingen in de buurt, die graag tegen DTS wilden spelen, is in het voorjaar van 1948 de handbalvereniging van Westwoud officieel opgericht. “Er werd een oprichtingsvergadering gehouden in het gebouw dat nu het gidsenhol van Westwoud is. Sindsdien staat de vereniging ingeschreven bij de landelijke handbalbond NHV. Deze bond was destijds alleen voor katholieken, want vroeger was dat allemaal gescheiden, katholiek en niet-katholiek. DTS was een vereniging voor katholieken; ze speelden daarom alleen tegen andere katholieke verenigingen.

Voordat DTS kon worden opgericht moest er een veld zijn. Marth hierover: “Eerst maar eens kijken waar je dan een veld kan vinden. Nou ja, er was hier in de buurt één voetbalveldje en dat was hét voetbalveld. Maar daar speelde natuurlijk Woudia, met zijn jeugdclubs. Maar dit veld was eigendom van de kerk, niet van Woudia zelf. Dus ik ben naar het kerkbestuur gestapt, en zei: ‘Zeg, wij willen gaan handballen, kunnen wij ook gebruiken maken van dat veld? Meisjes moeten toch net zo goed aan sport kunnen doen als jongens’. En dat vonden zij ook wel”. Toen de voetbal nieuwe velden zou krijgen, was het dus aan DTS om ook een deel op te eisen. Na lange tijd is dat gelukt, ze kregen het achterste veld in het huidige complex van Woudia. Ook werd getraind in de zaal bij de kerk (nu verkennershol). Kort daarna was het eigenlijk niet meer nodig. Het zeventalhandbal begon op te komen, wat zich afspeelde in veilinghallen, die gebruikt werden als zalen. Met slechts zeven personen heb je ook een veel kleiner veld nodig.”

Toen het veld was geregeld, moest er nog een bal en een scheidsrechter komen. “Marth vertelt het volgende: “We hadden dan wel wat zeggenschap over het veld, maar we hadden geen eens een bal! Ja, dat was het eerste begin, je moet een bal hebben. Toen ben ik naar de Schoenmaker de heer Pennekamp in Blokker gegaan, want die repareerde altijd de voetballen. Ik vroeg of hij voor ons een bal wilde maken, je kon toen niet zomaar ergens een bal kopen want er was gewoon niets. Dat wilde hij wel doen, hij maakte een bal iets kleiner dan een voetbal.

De hoofdonderwijzer van de Vlugt, van de vroegere rooms katholieke jongensschool in Westwoud, was de ‘hotemetoot’ van de voetbal, dus hij zou dan wel gaan fluiten. “Maar we wisten nog niet hoe dat moest, want bij de voetbal mag je natuurlijk tot het doel lopen, maar bij de handbal moet je buiten de cirkel blijven. We moesten dus zorgen dat we lijnen hadden om die cirkel aan te geven. En ik had een oud boekje meegenomen met daarin de spelregels van handbal, dat had ik toevallig in mijn bezit. Dat hebben we een beetje gelezen, maar ach, van de toepassing van die regels deugde natuurlijk helemaal niets. Toen zij we gewoon maar begonnen en van de Vlugt zou even een wedstrijdje fluiten, op z’n voetbals natuurlijk. We speelden vriendschappelijk wedstrijdjes tegen teams uit de buurt, maar dan moesten we ons toch eigenlijk wel aan de regeltjes houden…”.

Voordat men lid werd van de bond, moest er dus veel geregeld worden. “Van der Vlugt deed het wel eventjes af en toe, maar dat was ook een man op leeftijd. Maar toen hadden we hier op het dorp een onderwijzer, die hier pas was komen wonen. Dat was meneer Glandorf en hij wilde ons wel komen trainen, onder voorwaarde dat zijn vrouw ook mee mocht doen. Daar hadden wij geen bezwaar tegen, maar het was toen zo, dat wanneer je getrouwd was, je niet meer mocht handballen. En Glandorf was dus getrouwd en had al een klein dochtertje, maar toch mocht zijn vrouw meespelen. Maar goed, er was meer te doen, dus ik zat iedere dag bij Glandorf, om te kijken of er nog meer moest gebeuren. Opstellingen, teamindelingen, wedstrijdadministratie, alles moest geregeld worden. Er waren wel mensen die hielpen hoor, maar ook vaak dachten ze dat ik het wel alleen zou redden. Ik redde het ook wel, maar er waren ook wel eens momenten dat ik mezelf afvroeg waar ik aan begonnen was”.

“We moesten alles zelf betalen, we hadden geen subsidie, sponsors, we hadden niks. Je was al lang blij, dat je kon spelen en dat je een bal had, dus zo zijn we geleidelijk opgeklommen. … Soms moesten we in die tijd erg ver reizen, naar ’t Veld of Den Helder. Niemand had een auto, dus we fietsten naar Wognum en gingen met één grote taxi van firma Kuip naar ’t Veld, ’t Zand of Wieringerwerf. Bij ‘t Verlaat was nogal eens politiecontrole, zodat er vlug een paar moesten duiken. Als we naar Den Helder moesten, gingen we altijd met de trein, maar ook dat was een gedoe. Je moest overstappen en vaak moest je dan nog een uur wachten. Ja, zo ging dat in het begin, en alles moest zelf betaald worden hoor! We betaalden contributie, de trainers moesten betaald worden, er kwam wel eens een nieuwe bal…”.

“Wat mijn rol precies was, weet ik zelf eigenlijk ook niet. In naam was ik secretaresse, maar ik moest ook de elftallen samenstellen, de contributie bijhouden, al had ik daar wel een paar helpsters bij, die het geld ophaalden in de wijken. Dus ik was ook meteen penningsmeesteres. Ook moest ik trainers zoeken voor de vereniging. We hadden een voorzitster, maar dat heb ik nooit willen worden, daar ben ik geen type voor. In het bestuur werd ik geholpen door meneer Glandorf, hij heeft ontzettend veel voor de vereniging gedaan. Zelf heb ik natuurlijk eerst ook gespeeld in het eerste, maar dat hield op, omdat ze al zoveel reserves hadden. Ik ben nog een poosje bij de vereniging gebleven, maar toen kreeg ik een baantje in het regiobestuur”.

“Kortom, de eerste jaren van DTS’48 waren een hectische, maar ook een mooie tijd.”

Met dank aan Meryam Boufouchk voor het interview en de uitwerking daarvan.